Hemel op aarde

‘Een min of meer therapiesessie lijkt me wel wat,’ zegt de vrouwelijke helft van het stel. Ze bekijkt me nauwlettend. Ze zitten naast elkaar op stoelen in mijn praktijkruimte. De man is de oudste van de twee en kijkt doorlopend naar zijn schoenen, zijn rug is gebogen. Hij is stil, zij praat veel. Eerst over koetjes en kalfjes, dan komt ze to the point: ‘Ik heb zo’n last van mijn keel, kunt u me vertellen wat dat is?’

‘Ik ben geen dokter,’ zeg ik, ‘en kan helaas dus geen medische diagnose stellen.’

‘O, want ik heb na de vakantie, die ik moest doen van hem (ze wijst naar haar man) er zo’n last van. Ik laat me dan weer veel te veel meeslepen door hem.’

Ik begin te vermoeden welke kant dit consult op zal gaan.

‘Hij is zo eigenwijs,’ hervat ze, ‘hij doet alleen wat hij wil, is maar met zijn tuin bezig, en dan moet alles perfect zijn.’

Ik knik.

‘Hij luistert nooit naar me,’ gaat ze verder, ‘ik kan lullen als brugman, maar hij doet toch zijn eigen ding.’

‘Laten we het nu even over u hebben,’ breng ik in.

‘Ja,’ zegt ze, ‘want één vriendin die ik nog over heb daar heb ik eigenlijk ook niets meer mee, ze heeft niks met het hogere.’ Ze slaat haar ogen neer.

Ik krijg sterk het gevoel dat deze vrouw zich heel erg alleen voelt. Ze leeft naar mijn gevoel meer in de andere dimensie, dan hier op aarde.



‘Mijn zus is ook al dood gegaan,’ zegt ze, ‘met haar had ik zo’n goed contact, kunt u me zeggen hoe het met haar is, waar ze is, wat ze doet en of ze nog contact met me wil? Ik had haar voordat ze dood ging nog gevraagd of zij en al haar bekenden iets kon laten horen via u, want ik had u al langer in gedachten, weet u.’

‘Ik denk dat het verstandiger is om één vraag per keer te stellen. Ik kan onmogelijk al haar kennissen door laten komen,’ zeg ik.

‘O, sorry, en weet u, ik heb ook nogal moeite met al die moderne techniek, je moet dit, je moet dat, ik kan er geen wijs meer uit worden en mijn man (ze maakt een wegwerpgebaar zijn kant op), doet nooit iets, ik moet álles zelf doen.’


Er komen beelden door van haar zus. Hoe ze woonde, hoe ze zich kleedde en dat ze een goede band ook had met de man van deze vrouw. Dat ze veel moeite had met de maatschappij. Dan vervagen de beelden van haar zus en focus ik me weer op de vrouw vóór me.


Ik heb met haar te doen. Het is alsof ze in één keer alles wil zeggen waar ze al jaren met niemand over heeft kunnen praten. Ze lijkt zelf niet te zien hoezeer ze gevangen zit in een zelfgemaakt web van negatieve gedachten. Niets is goed, inclusief haar man. Hoe kan ik haar duidelijk maken dat ze op een andere manier in het leven kan gaan staan? Dat haar leven anders een hel blijft als ze zo door gaat?

Ik focus me op haar man. Zijn overleden vader laat zich horen en de dingen die ik over hem zeg herkent hij: zijn karakter en specifieke gebeurtenissen die in zijn leven plaatsvonden.

De man regeert enthousiast. Hij wordt steeds levendiger naarmate onze conversatie voortduurt. Alsof hij niet kan geloven wat ik allemaal zeg, maar het toch gelooft omdat ik onmogelijk alles uit mijn duim kan zuigen.

Ik merk dat het levenslustige van de man effect heeft op de vrouw, die ons verbaasd zit te observeren.


Nu is het moment aangebroken om voorzichtig over positiviteit te beginnen.

‘Het valt me op,’ zeg ik, ‘dat er eigenlijk niets goed is en dat u de meeste zaken niet bepaald positief bekijkt. Bent u zich daar bewust van?’

Ze is even stil, kijkt naar haar man.

Dan zegt haar man: ‘doordat je zo negatief doet de hele tijd, ga ik tegen jou ook rot doen en sluit ik me af.’

Ze knippert een paar keer met haar ogen, die een melancholische uitdrukking hebben gekregen.

‘Ik denk dat u uw zus achterna wilt,’ zeg ik, ‘maar u leeft nog op aarde.’

‘Ja, dat is zo,’ zegt ze zacht.

‘Jullie moeten er samen nog iets van maken nu jullie nog op aarde leven. Als jullie elkaar het leven zuur blijven maken en een van jullie gaat straks dood, dan heb je daar toch geen goed gevoel aan overgehouden?

‘Nee,’ zegt ze en kijkt er verslagen bij.

‘Geniet nog van elkaar nu het nog kan en creëer de hemel op aarde met elkaar.’

‘We konden vroeger zo met elkaar lachen,’ zegt de man.

‘Ja, zegt de vrouw, ‘we hadden om de kleinste dingen al lol.’

‘Probeer dat nu weer te gaan voelen,’ zeg ik, luister naar elkaar en vooral: accepteer zoals het is. Verzet maakt alles alleen maar erger.’

De vrouw heeft intussen een brede grijns op haar gezicht. De man kijkt haar blij aan. Ik kan voelen dat hij er weer vertrouwen in begint te krijgen.

‘Je hebt er soms iemand voor nodig,’ zegt ze, ‘iemand die je laat zien wat er is… Ik ben inderdaad veel te negatief…’


Blij als kinderen stappen ze even later de deur uit. Ze hebben er weer zin in, zo negatief is het allemaal niet.


arrow_edited_edited.png

​© 2020 Frido Bijl